Ga naar inhoud

Sensoren

De Panasonic Aquarea meet temperaturen met NTC-thermistors: buiten, aanvoer en retour, de SWW-tank, en optioneel buffervat, zones en kamer. Deze pagina beschrijft de plaats, de nauwkeurigheid en de correctie van die sensoren.

Foutcodes van sensoren (H43, H67, H15, F36) staan op Storingen en foutcodes.

Zie ook: Stooklijn · Pendelen · Ontdooien · Instellingen · Bekabeling · HeishaMon

Let op: Spanning uit.

Sensoren zitten op de printplaat van de warmtepomp. Daar staat ook netspanning op. Schakel de spanning uit voordat u een sensor losmaakt of een weerstand aansluit. Een sensor losmaken onder spanning geeft bovendien een foutcode.

Buitensensor

De standaard buitensensor zit achterop de warmtepomp, in de aangezogen lucht. Bij de meeste opstellingen is dat goed genoeg.

De warmtepomp gebruikt de buitentemperatuur voor de stooklijn, voor de grenzen van de compressor en voor de beslissing om te ontdooien. Een verkeerde meting heeft dus meer gevolgen dan alleen een verkeerde aanvoertemperatuur.

Zon. Schijnt de zon op de achterkant, dan meet de sensor veel te hoog. Gemeld zijn 24 °C bij 13 °C buiten en 23 °C op een plat dak op het zuiden. Oplossingen:

  1. Maak schaduw, als het om een klein beetje zon gaat.
  2. Hang een losse buitensensor (PAW-A2W-TSOD) op een betere plek. Voorbeelden: onder de warmtepomp met tie-wraps, onder een zonnepaneel, of op een onverwarmde muur op het noorden.
  3. Sluit de losse sensor aan op CN5. Activeer hem onder Installateursinstellingen → Systeeminst. → Alternatieve buitensensor. De sensor achterop is dan niet meer actief.

Een losse sensor meet ook niet de koude lucht die rond de warmtepomp blijft hangen. Compatibele sensoren voor de H- en J-serie zijn goedkoper dan het origineel (circa € 34). Ook een buffersensor kan dienen: de karakteristiek is gelijk (zie NTC-waarden).

Bronnen

Kalibratie

Panasonic-sensoren zijn niet erg nauwkeurig. Een verschil tussen aanvoer en retour beïnvloedt de regeling en de berekende productie. Per sensor kunt u een vaste afwijking instellen van maximaal ±2 °C.

  1. Zet de warmtepomp uit.
  2. Houd 5 seconden ↵ + terugtoets + pijl rechts ingedrukt. U komt in het Maintenance menu.
  3. Kies Sensor setup en stel de afwijking per sensor in.

Controle van aanvoer en retour: laat de warmtepomp enkele minuten water rondpompen met een lage doeltemperatuur (bijv. 20 °C). Kijk bij Systeem check → Watertemperaturen. Aanvoer en retour horen dan gelijk te zijn.

Let op: deze methode maakt de twee sensoren alleen gelijk bij die ene temperatuur. Sensoren die gelijk waren bij 15 °C verschilden na een SWW-run naar 53 °C 1,5 °C.

Een grotere afwijking (bijv. 10 °C bij een tanksensor) lost kalibratie niet op. Controleer het type sensor en de plaats. In een SWW-vat is het boven de sensor warmer dan op de sensor.

Meningen verschillen.

De topicstart noemt ↵ + terug + rechts. Een andere gebruiker noemt terug + ↵ + links. Controleer de toetsen in de service manual van uw model.

Bronnen

Resolutie van de watertemperatuur

De warmtepomp leest aanvoer en retour in stappen van 0,25 °C. De Service Cloud en de web-interface van HeishaMon tonen die stappen (bijv. Main_Outlet_Temp 30.25 °C). Het display van de afstandsbediening rondt naar beneden af op hele graden. Ziet u in Home Assistant hele graden, controleer dan het aantal decimalen van de entiteit.

Bij een flow van 15 l/min geeft 1 °C fout in ΔT al ongeveer 1 kW fout in het berekende vermogen. Zie Stooklijn: controleren in de praktijk. Wilt u nauwkeuriger meten, plaats dan eigen sensoren (bijv. DS18B20) in een dompelbuis met koelpasta. Op HeishaMon hangen meerdere DS18B20-sensoren parallel aan één 1-wire-bus (GND, data, 3,3 V).

Meningen verschillen.

Op een WH-WXG16ME8 met control box WH-CME8 gaf de warmtepomp alleen hele graden door, ook via HeishaMon. In 2023 meldde een gebruiker ook hele graden in HeishaMon. Mogelijk hangt dit af van model of firmware.

Bronnen

Tanksensor (SWW)

De tanksensor heeft een andere karakteristiek dan de andere sensoren (zie NTC-waarden). Een buffersensor is dus niet geschikt voor het SWW-vat. Panasonic levert de tanksensoren TS1, TS2 en TS4. Een eigen sensor met een NTC van 2 kΩ werkt ook.

  • Plaats. Bij voorkeur in een dompelbuis. Een sensor tegen de wand van het vat, onder de isolatie en met goed contact, werkt ook. Voor de hoogte van de sensor, zie Tapwater: wanneer opwarmen.
  • Testen. Meet de weerstand met een universeelmeter en vergelijk met de tabel in de service manual. Test de losse sensor in ijswater en in heet water. Eén aansluiting zit aan aarde; op de andere staat een spanning van enkele volts.
  • Storing. Blijft de gemeten temperatuur te laag (bijv. nooit boven 44 °C), verdenk dan een slecht contact in sensor of kabel. Dat verhoogt de weerstand en de warmtepomp leest een lagere temperatuur.

Bronnen

Buffer- en zonesensoren

Voor een buffervat of meer zones zijn de optionele printplaat CZ-NS4P en de optionele sensoren nodig. De buffersensor komt op CN205, de watertemperatuursensor van zone 1 op CN204. Gebruik een Panasonic-compatibele NTC; een PT1000 op CN204 gaf 75 °C bij ongeveer 22 °C.

Wat de sensoren doen, met een buffervat ingesteld:

  • De doeltemperatuur van de warmtepomp is: hoogste Ta van zone 1 en 2 + buffer-ΔT + 2 °C.
  • De buffer-ΔT is het verschil in setpoint tussen buffervat en zones, geen schakelhysterese.
  • De buffersensor schakelt de warmtepomp uit als het vat te warm wordt.
  • De zonesensoren regelen alleen een mengklep.

Montage volgens de service manual (paragraaf 11.3.1.3):

SensorMontage
PAW-A2W-TSBU (buffer)In de sensorhuls van het vat, of op het oppervlak van het vat met contactpasta
PAW-A2W-TSHC (zonewater, ook zwembad)Op de waterleiding met de bijgeleverde RVS-band en contactpasta
PAW-A2W-TSSO (solar)In de sensorhuls, of op het oppervlak van het zonnepaneel
PAW-A2W-TSRT (kamer)In de kamer die de kamerregeling nodig heeft

Zie ook Buffervat.

Bronnen

NTC-waarden

SensorR bij 25 °CB-waarde
Buiten (TSOD), buffer (TSBU), kamer (TSRT), zone-aanvoer (TSHC), solar (TSSO)6523 Ω (≈ 6,5 kΩ)3700–3750 K
SWW-tank2 kΩ3420–3450 K

De tabel met weerstanden staat in de service manual (paragraaf 11.3.1.3). Die tabel geldt voor de sensoren uit de eerste rij: 19,70 kΩ bij 0 °C, 6,523 kΩ bij 25 °C en 0,511 kΩ bij 100 °C. Elke 10 °C stijging verlaagt de weerstand sterk, vooral bij lage temperaturen.

    ---
config:
  themeVariables:
    xyChart:
      plotColorPalette: "#1e88e5"
---
xychart-beta
    title "Weerstand NTC (6,5 kΩ-type) volgens de service manual"
    x-axis "Temperatuur (°C)" ["-40", "-30", "-20", "-10", "0", "10", "20", "30", "40", "50", "60", "70", "80", "90", "100"]
    y-axis "Weerstand (kΩ)" 0 --> 170
    line [167.82, 93.05, 53.92, 32.10, 19.70, 12.443, 8.044, 5.326, 3.615, 2.508, 1.777, 1.279, 0.932, 0.686, 0.511]
  

De sensoren in de eerste rij zijn elektrisch gelijk en dus uitwisselbaar; ze verschillen alleen in behuizing en kabel. De goedkoopste is meestal de solar- of buffersensor.

Meningen verschillen.

Voor de B-waarde noemt dezelfde gebruiker in 2021 eerst 3700 K en later ongeveer 3750 K. Controleer de tabel in de service manual van uw model.

Zelf maken, 6,5 kΩ-type. Een NTC van 6523 Ω is moeilijk te koop. Neem een NTC van 6,8 kΩ. De B-waarde daarvan is hoger dan bij Panasonic. Corrigeer met een weerstand parallel (lage temperaturen) en een weerstand in serie (hoge temperaturen):

NTCParallelSerieResultaat
Epcos/TDK B57164K682J (B = 4200 K)87 kΩ240 Ω< 0,1 K fout bij 15–50 °C; 1 K bij 0 °C
Epcos/TDK B57164K682J91 kΩ200 Ωals kamersensor (TSRT)
Vishay NTCLE100E3682JB0 (B = 3977 K)123 kΩ100 Ω
Epcos/TDK 6,8 kΩ, zonder correctie––circa 1 °C fout bij 25 en 45 °C

Voor een buitensensor zijn andere waarden nodig, zodat hij rond het vriespunt klopt. De tolerantie van deze NTC’s is 5 %. Meet de zelfgemaakte sensor dus na.

Zelf maken, tanksensor. Neem een NTC van 2 kΩ met een B-waarde zo dicht mogelijk bij 3450 K. Een hogere B-waarde laat de warmtepomp te weinig aangeven: bij 60 °C circa 1,5 °C bij B = 3560 K en circa 5,5 °C bij B = 4000 K.

Bronnen

Geschakelde weerstand

De grenzen van de compressor hangen af van de gemeten buitentemperatuur:

  • 5 kW J-serie: de maximale frequentie is 35 Hz vanaf 5 °C, 47 Hz tussen −4 en 4 °C en 59 Hz vanaf −4 °C en kouder. Een negatieve kalibratie geeft eerder meer vermogen.
  • T-CAP J-serie: onder circa 4–5 °C stijgt het minimum naar 34–35 Hz. Tussen 0 en 4 °C is dat vaak meer warmte dan het huis vraagt. De warmtepomp gaat dan pendelen.

Een te hoge buitentemperatuur “voorspiegelen” houdt de T-CAP langer op een laag minimum. Er zijn drie manieren:

  1. Kalibratie +2 °C (zie Kalibratie). De grens van 35 Hz zakt dan naar circa 2–3 °C. Pas de stooklijn aan op de verschuiving.
  2. Vaste weerstand. Een vaste weerstand van 15 kΩ op de ingang voor de alternatieve buitensensor geeft een constante 6 °C. Op de klemmenstrook staan de ingangen OUTDOOR AIR SENSOR en TANK SENSOR naast elkaar; de weerstand zit op de klemmen van OUTDOOR AIR SENSOR. Een HeishaMon-rule schakelt tussen de interne sensor en de weerstand, op basis van een eigen sensor (DS18B20). De stooklijn werkt dan niet; gebruik een vaste Ta.
  3. Geschakelde weerstand parallel aan een losse buitensensor. Een parallelle weerstand verlaagt de weerstand, dus de warmtepomp leest een hogere temperatuur. De stooklijn blijft werken.

Opbouw van methode 3 (12 kW J-serie):

  • Een PAW-A2W-TSOD op de ingang voor de alternatieve buitensensor.
  • Een temperatuurschakelaar met eigen sensor (12 V) naast de TSOD. Onder circa 4–5 °C schakelt een relais de weerstand parallel aan de TSOD.
  • 50 kΩ gaf +7 °C (2 °C werd 9 °C). Dat is veel; de stooklijn reageert dan te sterk. Gewenst is +3 à 4 °C.
  • Pas de stooklijn evenredig aan. Voorbeeld: 38 °C aanvoer stond eerst bij −5 °C, daarna bij 0 °C.
  • Terug naar normaal: kies de interne sensor in het menu of in de Service Cloud.
  • Kosten: circa € 100. Resultaat: runs onder 34 Hz, een run van 72 uur.
  • Stille modus 3 werkt niet goed: boven 5 °C (gemeten) beperkt die de compressor tot 45 Hz.

Variant met twee weerstanden (T-CAP J-serie): een Z-Wave-module schakelt 75 kΩ (circa +4 °C) bij 0–2 °C en 100 kΩ (circa +2 °C) bij 3–4 °C. De warmtepomp ziet dan altijd circa 5 °C. Een DS18B20 in de behuizing van de TSOD meet de echte temperatuur; een script corrigeert de stooklijn tegelijk. Bij 2 °C draaide de warmtepomp daarna op 23–27 Hz in plaats van 34/35 Hz. Schakel nooit onder 0 °C.

Let op: Ontdooien en vorst.

De buitentemperatuur stuurt ook het ontdooien. Schakel alleen boven 0 °C, zodat de warmtepomp nooit denkt dat het dooit terwijl het vriest. Wat een vervalste buitentemperatuur op lange termijn met de compressor doet, is niet bekend.

Meningen verschillen.

Volgens de T-CAP service manual hangt het ontdooien af van het verschil tussen buitentemperatuur en verdampertemperatuur (outdoor pipe). Een gebruiker waarschuwt daarom voor onnodige ontdooicycli. De bouwers van methode 2 en 3 zagen het aantal ontdooicycli niet veranderen; volgens één van hen gebruikt het ontdooien de alternatieve sensor niet. Een ander zag ontdooicycli iets eerder of later starten.

De T-CAP service manual (paragraaf 14.2.2) laat de ontdooigrens zien als lijn van buitentemperatuur tegen pijptemperatuur. Boven circa 5 °C buiten ligt de grens vlak bij −6 °C pijptemperatuur. Daaronder daalt de grens tot circa −28 °C bij −20 °C buiten. Bij AUTO force defrost op de afstandsbediening start de warmtepomp na 3 uur zonder ontdooien onder 5 °C buiten een geforceerde ontdooicyclus. Een gebruiker met een alternatieve sensor op 6 °C las in die grafiek −6 °C pijptemperatuur af.

Een alternatief zonder hardware is sturen met HeishaMon, zie Instellingen: sturen op minimaal vermogen.

Bronnen