Ga naar inhoud

Ontdooien

Een lucht-waterwarmtepomp haalt warmte uit de buitenlucht. Daarbij kan ijs groeien op de verdamper. Van tijd tot tijd ontdooit de warmtepomp dat ijs. Dat heet ontdooien, defrost of deice. Ontdooien hoort erbij en u kunt het niet uitzetten.

Voor merkspecifieke instellingen en storingen, zie Panasonic: backup heater bij het ontdooien en Panasonic: storingen bij het ontdooien.

Zie ook: Buffervat · Hydrauliek · Tapwater

Waarom en wanneer

  • Oorzaak. De verdamper is kouder dan de buitenlucht, soms onder 0 °C. Vocht uit de lucht condenseert en bevriest op de lamellen. Er kan steeds minder lucht door. Zonder ontdooien wordt de verdamper één blok ijs en daalt de COP richting 1.
  • Alleen als de warmtepomp draait. Ontdooien heeft niets te maken met bevriezen van het water in de leidingen. Ook een unit binnen in een omkasting of op zolder ontdooit, want de verdamper staat in de buitenlucht.
  • Werking. De warmtepomp keert de richting van het koudemiddel om. Hij koelt dan het cv-water en verwarmt de verdamper. De compressor stopt kort voor het omkeren. Het dooiwater loopt onder de unit weg.
  • Start. De regeling kijkt naar de temperatuur van de verdamper (de leiding uit de verdamper), niet naar de buitentemperatuur. Daalt die leidingtemperatuur ver onder de buitentemperatuur (bijv. 10 °C eronder), dan start het ontdooien. Een afwijkende sensor kunt u controleren in een bak ijswater (0 °C).
  • Voorbeeld van een cyclus. De verdampertemperatuur zakt eerst ver weg (in een voorbeeld naar ongeveer −12 °C) en de ontdooiregeling start op het laagste punt. De compressor stopt kort en gaat daarna hard draaien. Het pompdebiet stijgt (in een voorbeeld van 10 naar 20 l/min). De verdampertemperatuur stijgt naar ongeveer 0 °C. Het stroomverbruik springt kort van ongeveer 0,5 kW naar 4–5 kW.
    stateDiagram-v2
    direction LR
    [*] --> Verwarmen
    Verwarmen: Normaal verwarmen
    Verwarmen --> IJs: vocht bevriest op de verdamper
    IJs: IJs op de verdamper
    IJs --> Omkeren: verdampertemperatuur ver onder buitentemperatuur
    Omkeren: Compressor stopt, koudemiddel keert om
    Omkeren --> Ontdooien: warmte uit het cv-water
    Ontdooien: Verdamper wordt warm, ijs smelt
    Ontdooien --> Verwarmen: ontdooien klaar (6 tot 10 minuten)
  

Welk weer geeft de meeste ontdooicycli

WeerOntdooicycli
3 tot 5 °C, hoge luchtvochtigheidBegint; soms al bij 4 °C
Rond 0 °C met mist, sneeuw of motregenHet meest: elke 15–60 minuten
Droge vorst, bijv. onder −2 °C met oostenwindWeinig: één of twee per dag

Bij vorst is de lucht meestal droger. Daarom ontdooit de warmtepomp dan minder vaak dan net boven nul.

Bronnen

Hoeveel ontdooicycli zijn normaal

  • In vochtig weer rond 0 °C is één ontdooicyclus per 45–60 minuten normaal. Dat zijn 15 tot 30 per dag. Een korte periode met één per kwartier komt ook voor.
  • In helder of droog weer zijn het er veel minder, bijv. één per uur of één per dag.
  • Hoe meer vermogen de warmtepomp levert, hoe sneller de verdamper aanvriest. Per geleverde kWh maakt het weinig uit.
  • Bekijk voor u gaat zoeken de verdamper vlak voor een ontdooicyclus. Zit er een dikke laag ijs op, dan is het ontdooien nodig.

Bronnen

Wat ontdooien kost

Energie. Een ontdooicyclus duurt ongeveer 6 tot 10 minuten. Op een 9 kW-unit kostte één cyclus 0,35 tot 0,6 kWh warmte uit het cv-water. Die warmte moet de warmtepomp daarna opnieuw maken. Rekenvoorbeeld: elke 45 minuten één cyclus van 0,6 kWh is 32 × 0,6 ≈ 19 kWh warmte per dag. Bij een COP van 3,5 is dat ongeveer 5,5 kWh stroom. Ontdooit de warmtepomp met een elektrisch element (COP 1), dan kost dezelfde warmte ongeveer 3,5 keer zoveel stroom. Over een heel jaar valt het verbruik van het element vaak mee: tientallen tot ruim honderd kWh.

Comfort.

  • Tijdens het ontdooien verwarmt de warmtepomp niet. De aanvoertemperatuur zakt, bijv. van 35 naar 20 °C.
  • Radiatoren merken dat. Vloerverwarming merkt er bijna niets van.
  • Na het ontdooien draait de compressor een tijd harder om de warmte in te halen. Dat geeft meer geluid. Het kan lang duren voordat hij weer rustig op laag vermogen draait.
  • De circulatiepomp kan tijdens het ontdooien veel harder pompen dan normaal (bijv. 30 tot 40 l/min). Dat geeft ruis in de leidingen. Zie Waar de warmte vandaan komt voor oplossingen.

Meningen verschillen.

  • Ontdooien kost weinig. De warmte om het ijs te smelten komt vrij bij het bevriezen van de waterdamp. Het grootste verlies is de tijd waarin de warmtepomp niet verwarmt.
  • Ontdooien kost veel. Ook zonder element kost elke cyclus energie die de warmtepomp daarna moet terugwinnen. Het ijs op de verdamper verlaagt bovendien de COP tussen de cycli in. Op vochtige dagen rond 0 °C daalde de COP van boven 4 naar onder 3.
  • Het element is niet het grootste probleem. Gemeten is ongeveer 2 minuten elementtijd per cyclus. Dure ontdooidagen komen vooral door het stoppen en starten.

Bronnen

Waar de warmte vandaan komt

De warmtepomp haalt de warmte voor het ontdooien uit het water dat terugkomt uit het huis. Is dat niet genoeg, dan helpt een elektrisch element.

  • Vloerverwarming. Een grote vloer bevat veel water en massa. Zonder element zakte de retour bij 85 m² vloerverwarming niet onder 21 °C. Buizen met een grotere diameter bevatten meer water.
  • Systeeminhoud. Bij weinig water koelt het water snel af. Het element moet dan vaker helpen. Flow is even belangrijk als inhoud: bij te weinig flow volgt een storing.
  • Buffervat. Een seriebuffer in de retour levert warmte voor het ontdooien. Een bypass die opent bij hoge pompdruk stuurt het water tijdens het ontdooien vooral over de buffer. Zo blijft de warmte in de vloer en ruisen de leidingen niet.
  • Klep met ontdooisignaal. Een klep die tijdens het ontdooien een deel van de installatie afsluit, heeft hetzelfde effect. Dit maakt de installatie wel complexer.
  • Omvang van een buffer. Wilt u niets van het ontdooien merken, dan moet de buffer groot zijn: bij 8 minuten en 32 l/min ongeveer 280 liter.
  • Lage retourtemperatuur. Een goed afgiftesysteem draait op een lage aanvoer. De retour is dan koud en het element springt vaker bij.

Bronnen

Minder of kortere ontdooicycli

Het weer bepaalt het meeste. Met instellingen verandert u weinig. Dit helpt wel:

  • Niet draaien in de koudste, vochtigste uren. Laat de warmtepomp ’s nachts en rond zonsopkomst stilstaan, als isolatie en afgifte dat toelaten. Zo vermijdt u de uren met de meeste ontdooicycli en de laagste COP. Zie ook Stooklijn: nachtverlaging.
  • Stooklijn niet te steil. Bij een steile lijn moet de warmtepomp juist in het ontdooigebied veel harder werken als het kouder wordt. Een advies voor vloerverwarming: maximaal 8–10 °C verschil tussen het warme en het koude punt.
  • Minder warmtevraag. Rustiger draaien geeft minder ontdooicycli, maar ook minder warmte in huis. Per geleverde kWh wint u bijna niets.

Meningen verschillen.

  • Aanvoer 1 °C hoger. Een warmere retour levert meer warmte voor het ontdooien en vraagt minder van het element. Test het: vergelijk het totale verbruik over een paar uur met hetzelfde weer.
  • Geen effect op het aantal. Het aantal ontdooicycli hangt af van buitentemperatuur, luchtvochtigheid en retourtemperatuur. Een hogere aanvoer vermindert het aantal niet direct.
  • Lagere aanvoer. Na een overstap naar lagere aanvoer leken er iets minder ontdooicycli te zijn, omdat de compressor minder hard werkt. Het element moest wel langer helpen.
  • Stille modus. Volgens een gebruiker geeft een stille modus meer ontdooicycli. Een ander raadt hem bij koud weer af.

Bronnen

Plaatsing, luchtstroom en omkasting

  • Geen eigen lucht aanzuigen. De koude uitblaaslucht mag niet terug in de inlaat komen. Houd daarom ongeveer 1 meter vrij en snoei planten voor de unit. Een unit die zijn eigen koude lucht aanzuigt, meet een te lage buitentemperatuur en vriest sneller aan.
  • Omkasting. Elke beperking van de luchtstroom kost rendement. Een kast met dichte lamellen aan de uitblaaszijde duwt de lucht naar de inlaat. Gemeten: 4 tot 5 °C lagere buitentemperatuur, of 2 °C bij een ander model. Wilt u toch een kast, gebruik dan weinig, dunne lamellen onder een vlakke hoek. Scheid uitblaas en inlaat binnen de kast.
  • Dak tegen regen en sneeuw. Regen of sneeuw op een verdamper onder 0 °C bevriest. Een dak of carport boven de unit beschermt, zonder de luchtstroom te beperken.
  • Wind. Harde wind op de verdamper bij vorst laat de verdamper sneller aanvriezen en maakt het ontdooien moeilijker.
  • Dooiwater. Bij een ontdooicyclus loopt veel water uit de hele verdamper. Zorg voor genoeg grind onder en naast de unit, of voor een afvoer. Anders groeit er een plaat ijs. IJs op een omkasting of voeten kan trillingen naar het huis doorgeven.

Bronnen