Ga naar inhoud

Pendelen

Pendelen betekent: de compressor maakt veel korte runs met korte pauzes. De warmtepomp start, bereikt snel zijn doeltemperatuur, stopt en start kort daarna weer. Dit gebeurt vooral in het voor- en naseizoen, als het huis weinig warmte nodig heeft.

Voor de stop- en startregels per merk, zie Panasonic: instellingen. Voor het instellen van een stooklijn, zie Stooklijn.

Zie ook: Stooklijn · Hydrauliek · Buffervat · Ontdooien · Vermogen kiezen

Waarom pendelen nadelig is

  • Slijtage. Elke start belast de compressor. Hoeveel dat de levensduur kost, is niet zeker (zie hieronder).
  • Verbruik. Een start kost energie. Lange runs op laag vermogen zijn zuiniger dan veel korte runs.
  • Comfort. Bij vloerverwarming voelt u op sokken wanneer de warmtepomp draait en wanneer niet. Lange runs geven een gelijkmatig warme vloer.

De COP hangt vooral af van de buitentemperatuur en de aanvoertemperatuur, niet van het vermogen. Een zachte start of een iets langere run verandert de COP van een run weinig.

Meningen verschillen.

  • Pendelen is weinig erg. Een compressor kan volgens een gebruiker minstens 150.000 starts aan. Met 24 starts per dag gaat hij dan nog 15 jaar mee. Een periode van pendelen maakt op de hele levensduur weinig uit.
  • Die rekensom is te optimistisch. Niemand pendelt 24 uur per dag, het hele jaar.
  • Zoek een balans. Wie alleen op minder starts stuurt, verliest misschien efficiëntie of comfort. Een compressor die 16 in plaats van 15 jaar meegaat, maar al die jaren slecht draait, is geen winst.

Bronnen

Pendelen meten

  1. Starts en draaiuren. De bediening of de cloud van de warmtepomp telt de starts en de draaiuren van de compressor. Deel de starts door de uren.
  2. Runlengte. Kijk in een grafiek van compressorfrequentie of vermogen hoe lang een run duurt en hoe lang de pauze erna is.
  3. Ontdooien telt mee. Elke ontdooicyclus kan een extra start geven. Trek die af voordat u conclusies trekt.

Richtwaarden uit de praktijk:

WaarnemingOordeel
Ongeveer 1 start per 3 draaiuren (met kamerthermostaat)rustig
2900 starts op 6300 draaiuren, deels door ontdooienrustig
Run om de 1,5 uurnauwelijks pendelen
2380 starts op 917 draaiuren (ruim 10 per dag)hoog
Runs van 30 tot 45 minuten of korterpendelen
Meer dan 3 starts per uurvolgens de branche te veel

Bronnen

Oorzaken

  • Minimaal vermogen hoger dan het warmteverlies. Dit is de hoofdoorzaak. Elke warmtepomp heeft een minimaal vermogen. Is het warmteverlies van het huis kleiner, dan kan hij alleen nog aan en uit gaan. Dit gebeurt in het voor- en naseizoen altijd, hoe laag het minimum ook is. Het minimale vermogen hangt ook af van de buitentemperatuur. Voorbeeld: bij ongeveer 12 °C buiten en 30 °C aanvoer ligt het minimum boven 3 kW (COP ongeveer 6,25). Een ander voorbeeld uit een grafiek: bij 9 tot 14 °C buiten neemt het minimum ongeveer 400 W op en levert het ongeveer 2,8 kW warmte.
  • Te weinig afgifte. Het afgiftesysteem kan het minimale vermogen niet kwijt. Het water wordt dan snel warm en de warmtepomp stopt. Oorzaken: dichte groepen, thermostaatkranen of zonekleppen die dichtgaan, of een te lage aanvoertemperatuur.
  • Kortsluiting in het afgiftesysteem. Eén radiator met veel flow werkt als bypass. Het retourwater komt dan te warm terug en de warmtepomp stopt.
  • Te lage flow of een trage pomp bij de start. Het water warmt dan in de warmtepomp snel op en schiet voorbij de doeltemperatuur. Wie zowel een vaste flow als een vaste ΔT instelt, legt ook het vermogen vast (vermogen ≈ 70 × ΔT × flow). Past dat vermogen niet bij de vraag, dan pendelt de warmtepomp of blijft het huis koud.
  • Kleine systeeminhoud. Weinig water in het systeem geeft weinig buffer. De watertemperatuur loopt dan snel op en zakt snel weer.
  • Steile stooklijn. Bij elke graad stijging van de buitentemperatuur daalt de doeltemperatuur sterk. Is het water dan al warmer dan het nieuwe doel, dan stopt de warmtepomp.
  • Een thermostaat die te vaak schakelt. Sommige zone- en kamerthermostaten schakelen minstens één keer per uur. Een thermostaat met een slechte hysterese laat de kamer ver afkoelen. Daarna moet de warmtepomp hard werken en volgt pendelen.

Snelle test voor een kortsluiting: sluit de aftakking naar de radiatoren direct nadat de compressor stopt. Duurt de pauze dan veel langer, dan zijn de radiatoren de oorzaak.

Bronnen

Oplossingen en afwegingen

  • Eerst de afgifte kennen. Zet de warmtepomp een dag of langer op een vaste aanvoertemperatuur en kom er niet aan. Pendelt hij ook bij een hogere aanvoertemperatuur, dan is de afgifte te klein.
  • Stooklijn omhoog of vlakker, met een kamerthermostaat. Een hogere aanvoertemperatuur geeft meer afgifte en langere runs. De kamerthermostaat stopt de warmtepomp als het huis warm genoeg is. De pauze komt dan door de thermostaat, niet door het water. De COP daalt iets, maar bij milde temperaturen is het verbruik toch laag. Zie Stooklijn: bijstellen voor de “_"-vorm.
  • Kringen open. Laat zo veel mogelijk groepen en radiatoren open. Regel de retourtemperaturen van vloer en radiatoren ongeveer gelijk. Knijp de radiator die te warm terugkomt.
  • Flow omhoog, ΔT omlaag. Een hogere flow geeft een kleinere ΔT en een hogere gemiddelde watertemperatuur. De afgifte stijgt bij dezelfde aanvoertemperatuur. Een lagere flow geeft juist minder afgifte. Laat de warmtepomp vrij in flow of in ΔT; leg niet allebei vast.
  • Thermostaat met hysterese en vertraging. Een kleine hysterese geeft comfort. Een schakelvertraging voorkomt dat een stuiterende thermostaat de warmtepomp elke minuut schakelt. Bij een trage betonvloer en genoeg afgifte werkt zelfs een zeer kleine hysterese goed. Een voorbeeld uit een grafiek: hysterese 0,01 °C, aanvoer 25 °C, retour ongeveer 21,75 °C en 0 tot 4 °C buiten geven één run per 24 uur. Een thermostaat die te vaak schakelt, kunt u een afvalvertraging geven.
  • Draaien in blokken. Stook in de warmste uren van de dag of gebruik een kleine nachtverlaging. De run in de ochtend wordt dan langer. Is de warmtevraag erg klein, dan blijft de warmtepomp daarna toch pendelen. Een gebruiker zet de warmtepomp ’s nachts uit met de timer (22:00–07:00); met een goed geïsoleerd huis kan dat tot 10:00. Een ander raadt 00:00–09:00 aan: dat mijdt dure uren en het koudste moment, en langer doordraaien is beter dan eerder beginnen.
  • Aan/uit accepteren. Ligt het minimale vermogen boven de warmtevraag, dan moduleert de warmtepomp in tijd, net als een cv-ketel. Een thermostaat die af en toe uitschakelt, is dan de normale regeling.
  • Overshoot bij de start. Kan de warmtepomp zijn warmte niet kwijt, dan stijgt de aanvoer (Ta) snel boven het doel (Td) en slaat hij af. Een kleine afgifte of een te lage stooklijn geeft dit. Een hoge pompsnelheid maakt het erger: de retour (Tr) loopt dan mee omhoog en de compressor krijgt geen tijd om terug te toeren. Zie Panasonic: pompsnelheid en stille modus.
  • Buffervat. Een klein buffervat helpt weinig. 50 liter met 10 °C verschil bevat ongeveer 0,58 kWh; een warmtepomp van 5 kW vult dat in 7 minuten. Pas bij veel grotere vaten merkt u effect. Zie Buffervat.
    flowchart TD
    S["Korte runs, veel starts"] --> C1["Te weinig afgifte"]
    S --> C2["Kortsluiting radiator"]
    S --> C3["Te lage flow"]
    S --> C4["Steile stooklijn"]
    S --> C5["Thermostaat schakelt te vaak"]
    S --> C6["Minimum boven warmteverlies"]
    C1 --> O1["Stooklijn omhoog + kamerthermostaat"]
    C1 --> O2["Kringen open"]
    C2 --> O3["Retouren gelijk inregelen"]
    C3 --> O4["Flow omhoog, ΔT omlaag"]
    C4 --> O7["Stooklijn vlakker"]
    C5 --> O5["Hysterese en vertraging"]
    C6 --> O6["Aan/uit accepteren"]
  

Meningen verschillen.

  • Hogere stooklijn plus thermostaat. Liever een iets hogere aanvoertemperatuur en lange runs die een thermostaat begrenst, dan veel korte runs.
  • Niet lager dan de afgifte toelaat. Stel de stooklijn niet lager in dan nodig om het minimale vermogen kwijt te raken. Dan pendelt er niets en is de COP maximaal. Wordt het te warm, gebruik dan bloktijden of een thermostaat; zet de flow niet lager.

Bronnen