Ga naar inhoud

COP en meten

De COP (coefficient of performance) is de warmte die de warmtepomp maakt, gedeeld door de stroom die hij daarvoor gebruikt. Deze pagina legt uit waar de COP van afhangt, welke waarden gebruikers in de praktijk meten en hoe u zelf warmte en stroom meet.

Zie ook: Ontdooien · Pendelen · Tapwater · Hydrauliek · Panasonic: sensoren

COP en SCOP

  • COP is de verhouding op één moment of over een korte periode: warmte ÷ stroom. Een COP op één moment zegt weinig. Een run, een dag of een week geeft een beter beeld.
  • SCOP (seizoens-COP) is dezelfde verhouding over een heel stookseizoen of jaar. Tel daarvoor energie op (kWh), niet vermogen (W): totale warmte ÷ totaal stroomverbruik.
  • Tel alles mee wat u wilt beoordelen: compressor, pompen, elektronica en een elektrisch element. Een COP met en zonder element of ontdooien kan flink verschillen.
  • De SCOP uit de folder is een labwaarde. Gebruikers halen die niet altijd.

Vergelijken met gas. 1 m³ gas is ongeveer 9,8 kWh warmte. Bij een COP van 4,5 vervangt iets meer dan 2 kWh stroom 1 m³ gas. Vuistregel: het verbruik van de warmtepomp in kWh is ongeveer 2 × het oude gasverbruik in m³. Veel tapwater verlaagt de SCOP, dus dan valt het verbruik hoger uit. Als ondergrens voor een zinvolle warmtepomp noemen gebruikers een SCOP van 3.

Bronnen

Wat de COP bepaalt

De COP hangt vooral af van het temperatuurverschil tussen buitenlucht en aanvoerwater (de lift: aanvoertemperatuur − buitentemperatuur). Hoe kleiner de lift, hoe hoger de COP. Het vermogen of de compressorfrequentie heeft veel minder invloed; zie Pendelen.

  • Aanvoertemperatuur. Een lagere aanvoertemperatuur geeft altijd een betere COP. Gebruikers rekenen met ongeveer 2 % COP per graad. Dit is een vuistregel, geen meting. Een voorbeeld: 5 °C warmer water kostte ongeveer 0,4 op een SCOP van 4.
  • Afgiftesysteem. Een groot afgiftesysteem laat een lage aanvoer toe. Bij gelijk weer kan een warmtepomp op 45 °C een COP van 2 halen en op 26 °C een COP van 4 tot 5.
  • Buitentemperatuur. ’s Nachts is het kouder, dus is de COP lager dan overdag.
  • Grens van de techniek. Goede metingen komen uit op ongeveer 50 % van de theoretische (Carnot) COP bij dezelfde temperaturen.
  • Tapwater en ontdooien verlagen de COP. Zie Tapwater: temperatuur en COP en Ontdooien: wat ontdooien kost.

Een meetreeks over 25 weken (gemiddelden per 30 minuten, externe meters, vooral radiatoren met ongeveer 35 °C aanvoer bij 0 °C buiten en 30 °C bij 10 °C) laat het verband zien. Zonder ontdooien daalt de COP van ongeveer 6,5 bij een lift van 20 K naar ongeveer 3 bij 40 K. Ontdooicycli en tapwaterruns geven een aparte wolk rond een COP van 2 tot 3.

    ---
config:
  themeVariables:
    xyChart:
      plotColorPalette: "#1e88e5"
---
xychart-beta
    title "COP zonder ontdooien, afgelezen uit meetgrafiek"
    x-axis "Buitentemperatuur (°C)" ["0", "2", "4", "6", "8", "10"]
    y-axis "COP" 2 --> 7
    line [3.5, 4.0, 4.6, 5.3, 5.8, 6.3]
  

Waarden zijn bij benadering afgelezen uit de puntenwolk (ongeveer ±0,3). Met ontdooien ligt de COP bij 0 tot 4 °C rond 2,7.

Bronnen

COP in de praktijk

Waarden die gebruikers met een eigen kWh-meter en warmtemeter maten. Alle installaties zijn lucht/water-monoblocs van 7 tot 9 kW.

SituatieAanvoerCOP
Nacht, buiten 4 °C, geen ontdooicycli, vooral radiatoren35 °C4,15
Etmaal, buiten 3 °C, alleen weersafhankelijk, 2 starts37 °C3,92
Week in december, alleen radiatoren40 °Congeveer 2,9
Maand januari 2026, inclusief elementonbekend2,63 (3,16 zonder element)
Mistige dag rond 1–2 °C, 18 ontdooicycli (schatting)onbekendongeveer 2,2
Heel jaar, verwarming en tapwater, 90 % radiatoren30–35 °C4,0 (SCOP)

Het slechtste weer is vochtig weer rond 0 °C, door veel ontdooicycli. Bij droge vorst onder −2 °C stopt het ontdooien en stijgt de COP weer boven 3.

Bronnen

Stroom meten

Meet het verbruik met een eigen kWh-meter in de groep van de warmtepomp. Een tweede meter op de groep van het elektrische element laat zien hoeveel stroom dat gebruikt.

  • S0-uitgang. De meter geeft een puls per 0,5 of 1 Wh. Eenvoudig uit te lezen, maar bij laag verbruik komen de pulsen traag.
  • RS485/Modbus. De meter geeft ook het actuele vermogen, totaalverbruik en spanning. Dit is beter voor laag verbruik. Uitlezen kan met een USB-naar-RS485-adapter.
  • Meterkeuze. Veel gebruikers kiezen een meter met MID-keur. De nominale stroom (bijv. 5 A) bepaalt vooral de precisie; let daarnaast op de maximale stroom (bijv. 40 A). Een driefasige warmtepomp vraagt een driefasige meter.

Let op: Netspanning.

Een kWh-meter plaatst u in een groep met 230 V of 400 V. Schakel de groep spanningsloos voordat u werkt. Laat het werk doen door iemand die bevoegd is als u twijfelt.

Bronnen

Warmte meten

Warmtemeter. Een warmtemeter (bijv. Kamstrup Multical) meet flow, aanvoer- en retourtemperatuur en telt de warmte op. Veel gebruikers lezen die uit via USB of draadloos.

  • Aanvoer of retour maakt niet uit, maar er mag geen aftakking zitten tussen meter en warmtepomp. Plaats de meter niet vlak voor een circulatiepomp. Lucht en vuil verstoren de meting.
  • De voelers zitten in het water. Voelers op de buitenkant van een buis meten minder goed.
  • De warmte die bij het ontdooien uit het water gaat, telt een Kamstrup in een apart register. Let daarop als u de COP inclusief ontdooien wilt.
  • Lees niet te traag uit. Eens per 2 minuten is te grof om een ontdooicyclus te volgen.

Zelf rekenen. Zonder warmtemeter rekent u met flow en ΔT: vermogen (W) ≈ 70 × flow (l/min) × ΔT. Zie Hydrauliek voor de formule. Gebruik de echte flow, niet de pompstand. Extra temperatuursensoren (bijv. DS18B20) in een dompelbuis met koelpasta meten beter dan voelers op de buis.

Sensoren controleren. Laat het water rondpompen zonder dat de warmtepomp verwarmt. Na een paar minuten moeten aanvoer en retour gelijk zijn. Zo niet, stel ze bij. Voor ΔT telt vooral dat beide sensoren onderling kloppen.

Bronnen

Nauwkeurigheid

De fout in de berekende warmte is ongeveer de som van de relatieve fouten in flow en ΔT. De fout in ΔT is tot het dubbele van de fout per sensor.

Voorbeeld: flow 20 l/min (fout 0,5 l/min) en ΔT 2 °C (fout 0,25 °C). Het vermogen is 2800 W. De fout is 0,5/20 + 0,25/2 = 15 %, dus ongeveer 400 W. Met sensoren die op hele graden afronden is bij 10 l/min elke stap al 700 W.

  • Een grotere ΔT geeft een kleinere relatieve fout.
  • Kalibreer de sensoren rond de temperatuur waarop u stookt.
  • Een warmtemeter heeft geijkte, gepaarde voelers (bijv. Pt500, resolutie 0,01 °C). Een losse DS18B20 heeft een resolutie van 0,0625 °C en is niet gekalibreerd.
  • Een constante afwijking is minder erg als u alleen wilt zien of een wijziging helpt.

Meningen verschillen.

  • Een warmtemeter is nodig. Rekenen met drie onnauwkeurige sensoren geeft geen betrouwbare warmte. Een warmtemeter meet veel nauwkeuriger.
  • Twee goede sensoren zijn genoeg. Ook de flow van een warmtemeter heeft een fout van 2 tot 5 %. Met twee goedkope DS18B20’s haalt u voor weinig geld een hoge nauwkeurigheid.

Bronnen

Jaarverbruik

Een jaarverbruik zegt alleen iets samen met de woning. Gemeld door gebruikers:

WoningAfgifteGas vroegerWarmtepomp
~220 m², 1970, matig geïsoleerd; verwarming en tapwater90 % radiatoren2000 m³3820 kWh + 171 kWh element; 16 000 kWh warmte
Grote vrijstaande woning, 1997radiatoren met ventilatoren1400–1500 m³gemiddeld 2500 kWh per jaar over 5 jaar
Woning met 7 kW split; tapwater apartonbekend1000 m³1006 kWh van half december tot begin maart
Woning met 5 kW; tapwater met warmtepompboileronbekend1000 m³ verwarming + 200 m³ tapwater1548–1821 kWh per jaar (2019–2022) plus boiler 79–447 kWh; samen 1900–2237 kWh

Het tweede getal komt deels uit de app van de fabrikant. Die wijkt af van een eigen meter.

Bronnen